Een heer verwandelt zijn ochtend tot een route, dagelijks
verschiet. Hij groet de bakker die zijn knarrig zaad
tot uiterste extase drijft. Hij voegt de daad en gaat.
Zijns weegs is een onwillige voet die hem de pas
beschrijft. Het spoor leidt
om zijn tuin van eden; daar hangt de dood aan een
overhangende tak. In de ijlte zingt afscheid te vroeg
gejuicht. Geen trek in geur van brood. De overwinning
vroor zich in de huid. Een moeder (uit 1928) stierf zojuist
in een zucht; de foto van vandaag vertoont de trek
van eerder. Een onneembare dag, de dichter verzint zich
in dezelfde tuin, over blijvend uitzicht, vrij verstild.